Luister! Het woord van de Heer! “Ga u wassen, ga u reinigen, uit mijn ogen met uw boze daden! Houd op met kwaad doen, leer het goede te doen, onderhoud het recht, help de verdrukte, verdedig de wees, pleit voor de weduwe. Kom dan - zegt de Heer - laten we het uitpraten: Al zijn uw zonden rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al zijn ze als purper zo rood, ze zullen blank worden als wol. Als ge gewillig wilt zijn en luisteren, zult ge het goede der aarde genieten, maar als ge blijft weigeren en u verzetten, zal het zwaard u verdelgen.”
Ik maak u over offers geen verwijt: uw offerdieren zie Ik aldoor branden. Ik wil geen stier meer hebben uit uw huizen en rammen uit uw schaapskooi vraag Ik niet. Wat spreekt gij aldoor over mijn geboden en hebt ge mijn verbond steeds op de tong? Gij die van tucht een afkeer hebt en nimmer acht slaat op mijn woorden. Zou Ik dan zwijgen als gij zoiets doet? Of meent ge soms dat ik aan u gelijk ben? Ik klaag u aan, Ik leg u alles voor. Wie offers brengt van lof, die eert Mij waarlijk, wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God.
In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: 'Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen ze niet naar hun woorden. Zij maakten bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op de schouders, maar zelf zullen ze er geen vinger naar uitsteken. Alles wat zij doen, doen zij om bij de mensen op te vallen; zij maken immers hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, ze zijn belust op de ereplaats bij de maaltijden en de voornaamste zetels in de synagogen, ze laten zich graag groeten op de markt en willen door de mensen rabbi genoemd worden. Maar gij moet u geen rabbi laten noemen. Gij hebt maar een Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand van u op aarde vader; gij hebt maar een Vader, de hemelse. En laat u ook geen leraar noemen; gij hebt maar een leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Alwie zichzelf verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden.
"Wie zich vernedert, zal verheven worden." Niet alleen zei Christus tegen zijn leerlingen om zich geen meesters te laten noemen, en niet op de beste plaatsen te gaan zitten bij een maaltijd en geen enkele eerbewijs aan te nemen, maar ook heeft Hij persoonlijk het voorbeeld van nederigheid gegeven. Hem werd de naam 'meester' gegeven, niet uit beleefdheid, maar uit natuurlijk recht daarop, want "alles bestaat door Hem" (Kol 1,17). Door zijn komst in het vlees heeft Hij ons iets geleerd wat ons naar het ware leven leidt en omdat Hij groter dan ons is, heeft Hij ons "met God verzoend" (Rom 5,10). Alsof Hij tegen ons zei: "Ik ben niet uit op eigen eer; iemand anders is uit op mijn eer" (Joh 8,50). Houd uw blik op Mij gericht, "zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.'" (Mt 20,28). In deze passage van het Evangelie is het zeker dat de Heer niet alleen zijn leerlingen onderricht, maar ook de leiders van de Kerken, aan hen allen schreef Hij voor om zich niet te laten meeslepen door de begeerte om zijn eigen eer te zoeken. Integendeel, "laat Hij die groot wil zijn" de eerste zijn die doet zoals Hij "de dienaar van allen" deed (Mt 20,26-27).
Ach Heer, grote en geduchte God, die het verbond gestand doet en vol erbarmen zijt voor hen, die U liefhebben en uw geboden volbrengen: Wij hebben gezondigd en kwaad gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest, wij zijn afgeweken van uw geboden en wetten, wij hebben niet geluisterd naar uw dienaren, de profeten, die in uw Naam gesproken hebben tot onze koningen, hoogwaardigheidsbekleders, familiehoofden en tot heel de gezeten bevolking van het land. Heer, Gij staat in uw recht, maar wij hebben reden om ons te schamen en we staan nu ook beschaamd, wij, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem en heel Israël, zowel degenen die dichtbij als veraf wonen in de landen waarheen gij ze verstoten hebt, omdat zij U ontrouw geworden zijn. Heer, wij moeten ons schamen, wij, onze koningen, onze hoogwaardigheidsbekleders en onze familiehoofden, omdat wij tegen U gezondigd hebben. Moge de Heer onze God barmhartig zijn en vergevensgezind, want wij zijn weerspannig geweest tegen Hem en wij hebben niet geluisterd naar de Heer onze God en niet geleefd naar de geboden, die Hij ons door zijn dienaren, de profeten, gegeven heeft.