Vrienden, ons vertrouwen op God geeft ons de zekerheid dat Hij naar ons luistert, als wij Hem iets vragen overeenkomstig zijn wil. En als wij weten dat Hij naar al ons vragen luistert, mogen wij er ook zeker van zijn dat onze gebeden al zijn verhoord. Als iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven die niet voert tot de dood, moet hij voor zijn broeder bidden, en God zal hem in leven houden, dat wil zeggen, als zijn zonde hem niet doodt. Want er is een zonde die voert tot de dood; hiervoor geldt mijn aansporing om te bidden niet. Maar hoewel elke verkeerde daad zonde is, brengt niet elke zonde de dood. Wij weten dat een kind van God niet zondigt; de Zoon van God behoedt hem, en de boze heeft geen vat op hem. Wij weten dat wij bij God horen, terwijl de hele boze wereld in de macht van de boze ligt. Wij weten dat de Zoon van God gekomen is, en ons inzicht gegeven heeft om de waarachtige God te kennen, en wij zijn in de waarachtige God, want wij zijn in Jezus Christus, zijn Zoon. Dit is de ware God, dit is eeuwig leven! Kinderen, wacht u voor valse goden.
Zingt voor de Heer een nieuw gezang, zijn lof weerklinke te midden der zijnen Israël juiche zijn Schepper toe, Laat Sions zonen hun Koning begroeten. Looft zijn Naam in een heilige dans bespeelt voor Hem harp en citer. Want onze Heer, die zijn volk bemint, omkranst de verdrukten met zegekransen. Jubelt dus heiligen, om uw triomf, viert feest in uw legerplaatsen. Gaat met het lied van God in uw mond, een taak die zijn vromen tot eer strekt.
In die tijd ging Jezus met zijn leerlingen het land van Judea in, bleef daar enige tijd met hen en doopte er. Maar ook diende het doopsel toe, te Enom bij Salim, omdat daar veel water was; men ging daarheen om zich te laten dopen. was namelijk nog niet in de gevangenis geworpen. Enige leerlingen uit de kring van Johannes geraakten in een twistgesprek met een Jood over reinigingskwesties. Zij gingen naar Johannes en zeiden hem: 'Rabbi, de man die met u was aan de overkant van de Jordaan en over wie gij een getuigenis hebt gegeven: nu Hij aan het dopen is, lopen ze allemaal naar Hem toe.' Johannes gaf hun ten antwoord: 'Een mens kan zich niets toeëigenen, tenzij het hem vanuit de hemel gegeven is. Gij zijt zelf mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Messias niet, maar een gezondene om voor Hem uit te gaan. De bruidegom is hij die de bruid heeft, maar de vriend van de bruidegom, die staat te luisteren of hij hem hoort, is al vol blijdschap wanneer hij de stem van de bruidegom verneemt. Zo nu is mijn vreugde en ze is volkomen. Hij moet groter worden ik kleiner.
In de nederigheid, mijn steun, ontplooit de schepping zich op bevel van God. In deze nederigheid buigt God zich naar mij toe om opnieuw geluk te schenken aan de dode bladeren – de mensen – die gevallen zijn, een geluk dat al zijn wilsbesluiten bezielt: Hij had hen met aarde gevormd, en na hun val richt Hij hen weer op. God heeft al zijn werken volbracht in liefde, nederigheid en vrede, opdat de mens de nederigheid zou waarderen en ook de vrede zou omarmen, zodat hij niet zou wegzinken met hem die vanaf het begin deze deugden bespot. Deze deugden staan niet verder af van de goddelijkheid dan de wortel van de boom: God, die liefde is, bewaart zijn nederigheid in al zijn werken en in al zijn oordelen. Liefde en nederigheid daalden met de Zoon van God af naar de aarde, en zij zijn het ook die Hem vergezelden toen Hij terugkeerde naar de hemel. De liefde brandt in de vurigheid van de hemelen als purper, en de nederigheid, in de helderheid van de rechtvaardigheid, houdt elke besmetting van de aarde ver weg. De liefde is de versiering van Gods werken, zoals een edelsteen in een ring is gevat. De nederigheid heeft zich geopenbaard en gemanifesteerd in de menswording van de Zoon van God; zij is opgeweld uit de zuivere Ster van de Zee, Maria. (…) De nederigheid bezit niets, zij bewaart alles in de schoot van de liefde. In haar schoot buigt God zich naar de aarde, en door de nederigheid verzamelt Hij de deugden.
Vrienden, niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus. Hij is gekomen niet door water alleen, maar door water en door bloed. De Geest betuigt het, omdat de Geest de waarheid is. Want er zijn drie getuigen, de Geest, het water en het bloed, en deze drie stemmen overeen. Als wij het getuigenis van mensen aannemen, dan zeker dat van God, dat zoveel groter gezag heeft; God zelf waarborgt het getuigenis, dat Hij heeft afgelegd aangaande zijn Zoon. Wie in de Zoon van God gelooft, draagt Gods getuigenis in zijn hart. Wie God geen geloof schenkt, maakt Hem tot een leugenaar, want hij weigert Gods eigen getuigenis over zijn Zoon te aanvaarden. En dit is de zin van het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dat leven is in zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft leven gevonden; wie de Zoon van God niet heeft, heeft ook het leven niet. Ik heb u deze brief geschreven om u er van te overtuigen dat gij eeuwig leven hebt, gij allen die waarachtig gelooft in de Zoon van God.