Zo spreekt God de Heer: “Zoals de regen en de sneeuw uit de hemel vallen en daar pas terugkeren, wanneer zij de aarde hebben gedrenkt, haar hebben bevrucht, zodat zij groen wordt, wanneer zij het zaad aan de zaaier hebben gegeven en het brood aan de eter, zo zal het ook gaan met het woord; dat komt uit mijn mond, het keert niet vruchteloos naar Mij terug, het keert pas weer, wanneer het Mijn wil volbracht heeft en zijn zending heeft vervuld.”
Verheerlijkt de Heer te zamen met mij en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren. Ik ging tot de Heer en Hij heeft mij verhoord, Hij heeft mij gered uit al wat ik vreesde. Verlaat u op Hem, dan wordt ge gelukkig, want Hij stelt u niet teleur. Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer en redt hen uit hun ellende. Het oog van de Heer is gericht op de vrome, zijn oor naar hun smeken gekeerd. Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af, zij worden op aarde vergeten. Naar vromen die roepen luistert de Heer en redt hen uit iedere nood. De Heer is nabij voor rouwmoedige harten, hij helpt wie zijn schuld erkent.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Als gij bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden, zoals de heidenen, want deze menen dat zij door hun veelheid van woorden verhoring zullen vinden. Volgt hun voorbeeld dus niet na, want voordat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt. Gij moet daarom zo bidden: Onze Vader die in de hemel zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw Rijk kome, Uw wil geschiede Op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood. En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring, maar behoed ons voor het kwaad. Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.
Volgens het gebod van het gebed ben ik niet in de geest de kamer van het hart binnengegaan, noch ook in een hoek van het openbare plein, om ten minste een menselijke beloning te verkrijgen. Maar in beide gevallen ben ik nalatig geweest: in schijn én in werkelijkheid; want mijn traagheid heeft de hoop overwonnen, zowel de aardse als de hemelse. Nu moge Hij, die van nature uw Vader in de hemel is, die U ons door Uw genade hebt geschonken, mij toestaan Zijn Naam volmaakt aan te roepen met een zuiver hart. Dat het Koninkrijk van de Heer kome om mijn ziel te regeren; en dat op deze aarde, in mij, Zijn wil geschiede, zoals in de hemel. Het brood van elke dag en het Brood dat altijd is, geneesmiddel voor mijn lichaam en geneesmiddel voor de ziel, moge Hij het mij overvloedig schenken, mij, de behoeftige: zowel het geestelijke als het materiële. Moge Hij mij mijn schulden vergeven, mij, de schuldenaar, zoals ook ik vergeef aan wie mij iets schuldig is; of liever nog: moge Hij vergeving doen geschieden aan beide zijden, opdat ook ik vergeven wordt. En moge Hij de Verzoeker niet toestaan mij, de lafaard, te verzoeken als ware ik onverschrokken; maar moge Hij mij beschermen tegen zijn zwaard; dat Hijzelf strijdt tegen het Kwade!
De Heer sprak tot Mozes: “Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig. Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. Ge moogt mijn Naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de Naam van uw God. Ik ben de Heer. Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben de Heer. Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben de Heer. Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer.”