De eerste christenen legden zich erstig toe op de leer der apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en in het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk; ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van het hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden.
Stammen van Israël, dankt de Heer, eindeloos is zijn erbarmen! Herhaalt het, stammen van Aaron eindeloos is zijn erbarmen! Herhaalt het, dienaren van de Heer eindeloos is zijn erbarmen! Zij stootten mij weg en sloegen mij neer, maar de Heer heeft mij ondersteund. Mijn kracht en mijn sterkte is de Heer, Hij is het die mij verlost. Nu klinkt er gejuich van feest en geluk in alle tenten der vromen. De Heer greep in met krachtige hand, De steen die de bouwers hebben versmaad, die is tot hoeksteen geworden. Het is de Heer, die dit heeft gedaan, een wonder voor onze ogen. Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt : wij zullen hem vieren in blijdschap.
Broeders en zusters, gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood. Een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis is voor u weggelegd in de hemel. In Gods kracht geborgen door het geloof, wacht gij op het heil, dat al gereed ligt om op het eind van de tijd geopenbaard te worden. Dan zult gij juichen, ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen. Die dienen om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen, dat zoveel kostbaarder is dan vergankelijk goud, dat toch ook door het vuur gelouterd wordt. Dan zal, wanneer Jezus Christus zich openbaart, lof, heerlijkheid en eer uw deel zijn. Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, de redding van uw ziel, bereikt.
In de avond van die eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u.' Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: 'Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.' Na deze woorden blies Hij over hen en zei: 'Ontvang de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.' Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen, toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: 'Wij hebben de Heer gezien.' Maar hij antwoordde: 'Als ik niet in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.' Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u.' Vervolgens zij Hij tot Tomas: 'Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig.' Toen riep Tomas uit: 'Mijn Heer en mijn God!' Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.' Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.
Zeer geliefde Vader in Christus, de zachtmoedige Jezus, ik, Catharina, dienares en slavin van de dienaren van Jezus Christus, schrijf u in zijn kostbaar bloed, met het verlangen om u ondergedompeld, ja verzonken te zien in het bloed van de gekruisigde Jezus, en verborgen in de wond van zijn zijde. In het bloed zult gij het vuur vinden, want Hij heeft het uit liefde vergoten. En in zijn zijde zult gij de liefde van zijn hart vinden, want alles wat Christus voor ons heeft gedaan, heeft Hij gedaan uit liefde van het hart. Dan zal uw ziel ontvlammen in het vuur van een heilig verlangen. En dit verlangen is een uitwerking van de liefde, die nooit veroudert, maar integendeel steeds vernieuwt de ziel die ermee bekleed is. Zij vernieuwt haar in de deugd, versterkt haar, verlicht haar en verenigt haar met haar Schepper. Want in de gekruisigde Jezus vindt zij de Vader en heeft zij deel aan zijn macht. Zij vindt de wijsheid van de eniggeboren Zoon van God, die haar verstand verlicht. Zij smaakt en ziet de goedheid van de Heilige Geest, wanneer zij de tedere liefde vindt die Christus ons heeft getoond in het heil van zijn lijden, toen Hij van zijn bloed een bad maakte om onze ongerechtigheden af te wassen, en van zijn zijde een woning, een toevluchtsoord waar de ziel rust vindt en de zoetheid van de Godmens smaakt. Ik wil dat wij altijd zo handelen, mijn zeer geliefde Vader. Dat het oog van ons verstand zich nooit sluit, maar steeds ziet en beschouwt hoezeer God ons liefheeft, zoals Hij het ons heeft getoond door zijn Zoon. Dat de wil altijd liefheeft en nooit ophoudt. Dat de liefde tot de Schepper niet verzwakt door vreugde noch door lijden, noch door enig woord of daad. En zelfs al zouden alle andere werken (…) ophouden, dan nog mag de liefde nooit doven. Meer zeg ik u niet. Blijft in de heilige en zoete liefde van God. Zachte Jezus, Jezus, liefde.