Vrienden, dit is de boodschap die wij van Jezus gehoord hebben en aan u doorgeven: God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis. Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, terwijl onze wegen duister zijn, liegen wij met woord en met daad. Maar als wij wandelen in het licht zoals Hij zelf is in het licht dan hebben wij gemeenschap met elkaar en het bloed van zijn Zoon Jezus reinigt ons van elke zonde. Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden belijden, is Hij zo getrouw en genadig, dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle kwaad. Maar als wij zeggen dat wij geen zonde bedreven hebben, maken wij Hem tot leugenaar; dan woont zijn woord niet in ons. Kinderen, ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is, die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld.
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen. Verheerlijk, mijn ziel, de Heer, vergeet zijn weldaden niet. Hij is het, die u uw schulden vergeeft, die u geneest van uw kwalen. Hij is het die u van de ondergang redt, die u omringt met zijn gunst en erbarmen. De Heer is barmhartig en welgezind, lankmoedig en goedertieren. Hij blijft niet voortdurend verwijten maken, Hij is niet voor eeuwig vertoornd. Zozeer als een vader zijn kinderen liefheeft, zozeer heeft de Heer zijn dienaren lief. Hij weet toch waaruit Hij de mens heeft gemaakt, Hij denkt er aan dat wij slechts stof zijn. Maar Gods erbarmen blijft altijd en eeuwig, rechtvaardig is Hij voor geslacht na geslacht, voor allen die trouw zijn verbond onderhouden.
In die tijd sprak Jezus: 'Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze heb geopenbaard aan kleinen. Ja, Vader, zo heeft het U behaagd. Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon tenzij de Vader, en niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren. Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
Door boven zichzelf uit te stijgen, komt een ziel, die gekweld wordt door een zeer groot verlangen naar de eer van God en het heil van de zielen ertoe zich een tijdlang te oefenen in de gewone deugden en zich op te sluiten in de cel van de zelfkennis, om beter Gods goedheid jegens haar te leren kennen. Want de liefde volgt op de kennis, en door lief te hebben zoekt de ziel de waarheid te volgen en zich met de waarheid te bekleden. Niets doet het schepsel deze waarheid beter smaken, niets schenkt haar zoveel licht als het nederige, voortdurende gebed, gegrond op de kennis van zichzelf en van God. Het gebed, zo verstaan en beoefend, verenigt de ziel met God. Door de voetsporen van de gekruisigde Christus te volgen, door verlangen, door toewijding, door eenheid van liefde, wordt zij als het ware een andere Hij. Is dat niet wat Christus ons wilde leren toen Hij zei: “Wie Mij liefheeft en mijn woord bewaart, aan hem zal Ik Mijzelf openbaren: hij zal één zijn met Mij en Ik met hem” (vgl. Joh. 14,21)? Op vele plaatsen vinden wij gelijkaardige woorden. Aangezien Christus de Waarheid is, tonen zij ons duidelijk dat de ziel door de liefde één wordt met Hem. Om dit nog duidelijker te maken, herinner ik mij dat ik van een dienares van God heb vernomen dat zij tijdens een grote geestvervoering in haar gebed van God de sluiers zag worden weggenomen, zodat zij de liefde kon aanschouwen die Hij heeft voor zijn dienaren. Hij zei onder meer tot haar: “Open het oog van je verstand en zie in Mij; daar zul je de waardigheid en de schoonheid van mijn redelijke schepsel zien. Naast de schoonheid die Ik de ziel heb gegeven door haar naar mijn beeld en gelijkenis te scheppen, aanschouw hen die bekleed zijn met het bruiloftskleed, dat wil zeggen de liefde, versierd met een veelheid van deugden. Zij zijn door de liefde één met Mij.”
In die dagen trokken zij die vanwege de vervolging verspreid waren, verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij het woord alleen maar aan de Joden predikten. Maar er waren onder hen mannen uit Cyprus en Cyrene, die na hun komst in Antiochië zich ook tot de Grieken richtten en hun de Heer Jezus verkondigden. De hand des Heren was met hen, zodat een groot aantal het geloof aannam en zich tot de Heer bekeerde. Het gerucht over hun optreden kwam ook de Kerk van Jeruzalem ter ore en men vaardigde Barnabas af naar Antiochië. Toen deze daar aankwam en Gods genade zag, verheugde hij zich en wekte allen op met hart en ziel de Heer trouw te blijven. Hij was een goed man, vol van heilige Geest en geloof. Veel mensen werden voor de Heer gewonnen. Daarop vertrok hij naar Tarsus om Saulus te gaan zoeken. Toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. Een vol jaar namen zij deel aan de bijeenkomsten in die gemeente en gaven onderricht aan een grote menigte. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd.