Toen Davids einde naderde, gaf hij zijn zoon Salomon deze vermaningen: Ik ga de weg van al wat leeft. Wees sterk, en toon u een man! Let op uw plichten jegens Jahweh, uw God; bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, verordeningen en voorschriften, zoals die in de wet van Moses beschreven staan, opdat Hij u voorspoed schenke bij al wat ge doet en waarheen ge ook gaat. Dan zal Jahweh het woord gestand doen, dat Hij tot mij gesproken heeft, toen Hij zeide: Wanneer uw zonen acht geven op hun gedrag, en getrouw voor mijn aanschijn wandelen met geheel hun hart en geheel hun ziel, dan zal op Israëls troon nooit een afstammeling van u ontbreken. Toen ging David te ruste bij zijn vaderen en werd in de Davidstad begraven. De tijd, die David over Israël geregeerd heeft, bedroeg veertig jaren; zeven jaren regeerde hij te Hebron, en drie en dertig te Jerusalem. En Salomon besteeg de troon van zijn vader David, en zijn koningschap bleef onbetwist.
Gij zijt geprezen, Heer in alle eeuwen, Gij God van onze vader Israël. Groot zijt Gij in uw daden, oppermachtig verheven, luisterrijk en hoog geëerd. Want alles in de hemel en op aarde is het uwe, Gij zijt de Koning, Heer, die boven allen staat. Van u zijn aanzien en bezit afkomstig al wat bestaat richt zich naar uw bevel. Gij kunt beschikken over vaardigheid en krachten, wat groot en sterk is hebt Gij zo gemaakt.
In die tijd riep Jezus de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun macht over de onreine geesten en verbood hun iets anders mee te nemen voor onderweg dan alleen een stok: geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel. 'Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan.' Hij zei verder: 'Als ge ergens een huis binnengaat, blijft daar tot ge weer afreist. En is er een plaats waar men u niet ontvangt en niet naar u luistert, gaat daar dan weg en schudt het stof van uw voeten als een getuigenis tegen hen.' Zij vertrokken om te prediken dat men zich moest bekeren. Zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.
Het vraagt een hoge mate van zelfverloochening om het leven te leiden van een apostolisch mens… Het gaat erom, temidden van aanhoudende en sterk gevoelde ontberingen, de ziel vredig, vreugdevol te houden. Niet alleen bij fysieke ontberingen die nog vrij eenvoudig te verdragen zijn, maar ook bij morele en spirituele ontberingen. Deze laatsten zijn veel lastiger. Zij bedroeven, troebleren en ontmoedigen een kwetsbare, aan zichzelf gehechte ziel. Door standvastige zelfverloochening en volmaakte gehechtheid aan God alleen, geven deze ontberingen echter nieuwe moed, kalmte en daadkracht aan een sterke ziel. Als u wist van hoe grote waarde geduld is onder de apostolische deugden, dan zou u alle krachten van uw ziel inzetten om die deugd te verwerven. Wanneer u nu weet hoe geduldig te zijn, dan bent u verzekerd van succes, stevig en stabiel succes… Gewassen groeien snel, maar maken weinig ontwikkeling door en vergaan ook weer snel. Bomen groeien langzaam maar zij worden groot en machtig en gaan eeuwen mee. Mocht het u ooit lukken om snel en gemakkelijk succes te behalen in een missie, huiver daar dan voor; mocht de missie daarentegen tijd vragen en moeilijkheden met zich meebrengen, zie er dan naar uit, als u in uzelf de kracht en het doorzettingsvermogen voelt van het heilige geduld… Wanneer u geduld heeft kunt u er zeker van zijn dat u, in uw optreden en ondernemingen, Gods behoedzaamheid en wijsheid zult verwerven.
Toen zeide de koning tot Joab en de bevelhebbers van zijn leger: Ge moet onder alle stammen van Israël rondgaan, van Dan af tot Beër-Sjéba, en een volkstelling houden. Ik wil weten, hoe talrijk het volk is. Joab gaf de uitslag van de volkstelling aan den koning op: Israël telde achthonderdduizend weerbare mannen, die het zwaard konden hanteren; het aantal Judeërs bedroeg vijfhonderdduizend man. Maar toen David de volkstelling had laten houden, begon hem het geweten te knagen; en hij zeide tot Jahweh: Ik heb zwaar gezondigd met wat ik gedaan heb! Ach Jahweh, vergeef de zonde van uw dienaar; want ik ben dwaas geweest. Nu werd het volgende woord van Jahweh gericht tot den profeet Gad, den ziener van David: Ga aan David zeggen: Zo spreekt Jahweh! Drie dingen stel Ik u voor, waar ge uw keus uit kunt doen; daarmee zal Ik u treffen! Toen David dan de volgende morgen opstond, begaf Gad zich naar David, bracht hem het woord van Jahweh over, en sprak tot hem: Wilt ge drie jaar lang hongersnood in uw land laten heersen; of wilt ge drie maanden lang vluchten voor uw vijanden, die u op de hielen zitten; of wilt ge drie dagen lang de pest in uw land laten woeden? Bedenk u, en overleg, wat ik moet antwoorden aan Hem, die mij zendt. Toen zeide David tot Gad: Ik weet geen raad; maar ik wil toch liever vallen in de hand van Jahweh, wiens barmhartigheid groot is, dan in de hand van mensen! Zo koos David de pest. Daarom liet Jahweh van die morgen af tot aan de vastgestelde tijd de pest los op Israël, waardoor van Dan tot Beër-Sjéba zeventigduizend mensen stierven. Ook naar Jerusalem zond Jahweh den engel, om er verderf te stichten. Toen kreeg Jahweh spijt over het onheil, en Hij sprak tot den engel, die onder het volk verderf stichtte: Genoeg nu, trek uw hand terug! De engel van Jahweh bevond zich toen nabij de dorsvloer van Arawna, den Jeboesiet. En bij het zien van den engel die het volk sloeg, sprak David tot Jahweh: Ach Heer, ik heb gezondigd, ik deed verkeerd; maar wat hebben deze schapen voor schuld? Keer liever uw hand tegen mij en tegen het huis van mijn vader!