In die dagen, toen Paulus te Antiochië in Pisidië gekomen was, zei hij in de synagoge: Mannen, broeders, zonen uit Abrahams geslacht en godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden. Want doordat de inwoners van Jeruzalem en hun overheden Hem niet erkend maar veroordeeld hebben, deden zij de uitspraken van de profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, in vervulling gaan. Ofschoon ze geen enkele rechtsgrond voor de doodstraf konden vinden, hebben ze van Pilatus geeist dat Hij ter dood gebracht werd. Toen ze alles hadden voltrokken wat over Hem geschreven staat, namen ze Hem van het kruishout en legden Hem in een graf. Maar God wekte Hem uit de doden op en gedurende vele dagen verscheen Hij aan degenen die Hem van Galilea naar Jeruzalem hadden vergezeld. Dezen zijn nu getuigen van Hem voor het volk. Wij dan verkondigen u de blijde boodschap, dat God de belofte aan de vaderen gedaan, voor ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus te doen verrijzen, zoals ook geschreven staat in de tweede psalm: Gij zijt mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt.
Ik zelf heb mijn koning aangesteld op Sion, mijn heilige berg. Dit is het besluit van de Heer: Hij sprak tot mij; gij zijt mijn zoon, lk heb u heden verwekt. Vraag Mij, Ik geef u de volken als erfdeel, schenk U de aarde als eigendom. Breek hun verzet met ijzeren scepter, sla hen in stukken als potten van klei. Weest nu verstandig, gij vorsten heersers der aarde, weet wat gij doet. Dient de Heer met ontzag, kust Hem bevend de voeten.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Laat uw hart niet verontrust worden. Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ware dit niet zo dan zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden. En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid, kom Ik terug om u op te nemen bij Mij, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben. Gij weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is u bekend.' Tomas zei tot Hem: 'Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?' Jezus antwoordde hem: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.
“Ik ben de weg” (Joh. 14,6). Tussen elk schepsel en God ligt het oneindige. De engelen bevinden zich, zonder de bovennatuurlijke verheffing, op een onmetelijke afstand van de godheid. Alleen God ziet, krachtens zijn natuur, Zichzelf zoals Hij is; alleen Hij heeft het recht zijn blik te laten doordringen in de diepte van zijn volmaaktheden. De mensen kennen God slechts door zijn werken: “Wolk en duisternis omringen Hem” (Ps. 96,2). Welnu, wij zijn geroepen God te zien zoals Hij Zichzelf ziet, Hem te beminnen zoals Hij Zichzelf bemint en te leven van het goddelijke leven. Dat is onze bovennatuurlijke bestemming. Tussen deze verheffing en de mogelijkheden van onze natuur gaapt echter een onoverbrugbare kloof. Door Christus, tegelijk God en mens, en door de genade van het kindschap, wordt ons gegeven deze verwijdering te overwinnen. Christus is als de brug die over deze onpeilbare diepte is geworpen: door zijn heilige mensheid is Hij de weg waardoor wij tot de Drie-eenheid komen. Heeft Jezus het zelf niet gezegd: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij” (Joh. 14,6)? Deze weg misleidt niet; wie hem volgt, zal onfeilbaar het doel bereiken; “hij zal het licht van het leven hebben” (Joh. 8,12). Want als Woord is Jezus één met de Vader; zijn mensheid brengt ons daarom noodzakelijk tot de godheid. Wanneer Hij ons invoegt in zijn mystieke lichaam, neemt Hij ons waarachtig tot zich, opdat wij mogen verblijven waar Hij zelf is — dat wil zeggen: verenigd zijn met het Woord en met de Geest in de schoot van de Vader: “Ik zal terugkomen en u tot Mij nemen, opdat ook gij zult zijn waar Ik ben” (Joh. 14,3). Steun daarom in alles op de verdiensten van onze dierbare Verlosser.
Het gezelschap van Paulus voer weg uit Pafos en begaf zich naar Perge in Pamfylië; daar scheidde Johannes zich van hen af en keerde naar Jeruzalem terug. Van Perge reisden ze verder en bereikten Antiochië in Pisidië, waar zij op de sabbat de synagoge binnengingen en plaats namen. Na de voorlezing van de Wet en de Profeten lieten de oversten van de synagoge hun zeggen: 'Mannen, broeders, indien ge een opwekkend woord tot het volk te zeggen hebt, spreekt dan.' Paulus stond op, wenkte met de hand en zei: 'Mannen van Israel en godvrezenden, luistert. De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk groot gemaakt tijdens het verblijf in Egypte en het met machtige hand daarvan weg gevoerd. Ongeveer veertig jaar heeft Hij hen in de woestijn met zorgen omringd, waarna Hij zeven volkeren in Kanaän vernietigde, en hun het land in bezit gaf. Dit omvatte ongeveer vierhondervijftig jaren. Daarna gaf Hij hun rechters; dit duurde tot aan de profeet Samuël. Hierna vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin: veertig jaar lang. Nadat Hij hem verworpen had, verhief Hij David tot hun koning. Van deze gaf Hij het getuigenis: Ik heb David gevonden, de zoon van Isaï, een man naar mijn hart, die mijn wil in alles zal volbrengen. Uit diens nakomelingschap heeft God volgens belofte voor Israël een Verlosser doen voortkomen, Jezus, nadat reeds Johannes voor zijn optreden een doopsel van bekering aan heel het volk van Israël had gepredikt. Toen Johannes aan het einde van zijn loopbaan was, zei hij: Wat ge meent dat ik ben, ben ik niet; maar na mij komt iemand, wiens schoeisel ik niet waard ben los te maken.