Zo spreekt God de Heer: “Wanneer de boosdoener zich afkeert van al de zonden die hij heeft bedreven, wanneer hij al mijn geboden onderhoudt en handelt naar recht en wet, dan zal hij leven, zeker leven en hij zal niet sterven. Van al de wandaden, die hij bedreven heeft, wordt hem er geen meer toegerekend en vanwege de gerechtigheid, die hij betracht heeft, zal hij leven. Zou ik soms behagen vinden in de dood van een boosdoener - zo spreekt God de Heer - en niet veeleer daarin, dat hij zich afkeert van zijn wegen en in leven blijft? Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en verkeerde dingen gaat doen, wanneer hij al de afschuwelijkheden bedrijft, die de boosdoener begaat, moet hij dan in leven blijven? Neen, van al de rechtvaardige daden, die hij verricht heeft, wordt hem er geen meer toegerekend, en vanwege de ontrouw, die hij getoond heeft, vanwege de zonde, die hij heeft bedreven, zal hij moeten sterven. Gij beweert: De weg van de Heer is niet recht! Huis van Israël, luister toch! Zou het werkelijk mijn weg zijn, die niet recht is? Zijn niet veeleer uw eigen wegen niet recht ? Als een rechtvaardige zich van zijn eigen rechtvaardigheid afkeert en kwaad gaat doen, dan zal hij daaraan sterven, sterven om het kwaad dat hij gedaan heeft. En als de boosdoener zich van zijn boze daden afkeert en gaat handelen naar rechtschapenheid en deugd, dan zal hij in leven blijven. Als hij tot inzicht komt en zich afkeert van zijn slechte daden, dan blijft hij zeker in leven, dan zal hij niet sterven."
Uit de diepte roep ik, Heer, luister naar mijn stem. luister naar mijn stem. Wil aandachtig horen naar mijn smeekgebed. Als Gij zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand? Maar bij U vind ik vergeving, daarom zoekt mijn hart naar U. Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik. Gretig zie ik naar Hem uit meer dan wachters naar de ochtend. Meer dan wachters naar de ochtend, Want de Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt. Hij zal Israël verlossen van zijn ongerechtigheid.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Ik zeg u: Als uw gerechtigheid die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft, zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen. Gij hebt gehoord, dat tot onze voorouders is gezegd: Gij zult niet doden. Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht. Maar Ik zeg u: Al wie vertoornd is op zijn broeder, zal strafbaar zijn voor het gerecht. En wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin, en wie zegt dwaas, zal strafbaar zijn met het vuur van de hel. Als gij uw gave komt brengen naar het altaar en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw gave voor het altaar achter, ga u eerst met uw broeder verzoenen en kom dan terug om uw gave aan te bieden. Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren, en de rechter u aan de gerechtsdienaar, en zoudt gij in de gevangenis worden geworpen. Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.
Als je weet waarin de offergave van het offer bestaat, zul je begrijpen waarom men daarbij de komst van de heilige Geest afsmeekt. Volgens het getuigenis van de apostel Paulus wordt het offer opgedragen opdat de dood van de Heer verkondigd wordt en de herinnering herleeft aan Hem die zijn leven voor ons heeft gegeven. De Heer zelf heeft gezegd: “Er is geen grotere liefde dan zijn leven te geven voor zijn vrienden” (Joh. 15,13). Daarom vragen wij, omdat Christus uit liefde voor ons gestorven is, wanneer wij bij het offer zijn dood gedenken, dat ons de liefde geschonken wordt door de komst van de heilige Geest. Smekend vragen wij dat wij, door diezelfde liefde die Christus ertoe bracht zich voor ons te laten kruisigen, ook zelf — na de genade van de heilige Geest ontvangen te hebben — voor de wereld gekruisigd mogen worden en de dood van onze Heer mogen navolgen om te wandelen in een nieuw leven. Zo drinken alle gelovigen die God en hun naaste liefhebben, ook al drinken zij niet de beker van een lichamelijk lijden, toch de beker van de liefde van de Heer. Want men drinkt de beker van de Heer zolang men zijn heilige naastenliefde bewaart, zonder welke het niets baat zijn lichaam aan de vlammen prijs te geven. De gave van de naastenliefde maakt dat wij in waarheid worden wat wij in het offer op mystieke wijze vieren. (…) Daarom vragen wij dat de heilige Geest komt om ons de naastenliefde te schenken.
In die tijd nam koningin Esther in doodsnood haar toevlucht tot de Heer. En zij bad aldus tot de God van Israël: Mijn Heer, onze Koning, Gij zijt de enige. Kom mij te hulp, mij die alleen staat en geen helper heeft dan U, want ik ga een groot gevaar tegemoet. Ik heb van mijn geboorte af heb ik in de stam waaruit ik voortkwam gehoord, dat Gij, Heer, uit alle volken Israel en uit al hun voorouders onze vaderen hebt aangenomen als een blijvend erfdeel, en dat Gij voor hen alles hebt gedaan wat Gij beloofd had. Gedenk ons Heer, openbaar U in het uur van onze nood, en geef mij, Koning van de goden en Heerser over alle Heerschappij. Leg mij een gelukkig woord in de mond, als ik sta tegenover de leeuw, verander zijn gezindheid en breng hem tot haat tegen de man, die ons bestrijdt, zodat hij en zijn medestanders te gronde gaan. Red ons door uw hand en kom mij te hulp, want ik sta alleen en heb niemand anders dan U Heer.