In die dagen kwamen de oudsten van Israël bijeen, begaven zich naar Samuël in Rame en zeiden tot hem: Gij zijt oud geworden en uw zonen volgen uw voorbeeld niet. Stel daarom een koning aan om rechter over ons te zijn, een koning zoals alle andere volken die hebben. Maar Samuël vond het ongepast dat ze voorstelden: Geef ons een koning om rechter over ons te zijn. Daarom bad hij tot de Heer. Maar de Heer zei tot Samuël: Geef gehoor aan het volk, wat zij u ook vragen, want ze verwerpen u niet, maar mij; Mij willen ze niet langer als koning. Toen bracht Samuël het volk dat hem om een koning had gevraagd, op de hoogte van wat de Heer had gezegd. Hij zei: ‘De koning die over u heerst zal de volgende rechten doen gelden; Uw zonen zal hij opeisen voor zijn wagens, voor zijn paarden en om zijn wagen te escorteren, om ze aan te stellen als leider van duizend en leider van vijftig, om zijn akkers te ploegen, zijn oogst binnen te halen, wapens te maken voor de oorlog en zijn wagens uit te rusten. Uw dochters zal hij opeisen om zalf te bereiden, te koken en te bakken. Uw beste akkers, wijngaarden en olijftuinen zal hij u afnemen en ze aan zijn dienaren geven. Van uw oogsten en de opbrengst uw wijngaarden zal hij tienden heffen en die aan zijn hovelingen en dienaren geven. Uw slaven en slavinnen, uw sterkste jonge mannen en uw ezels zal hij voor zichzelf laten werken. Van uw schapen en geiten zal hij tienden heffen. zo wordt gij slaven. Als het zover is, zult gij de Heer uw nood klagen over de koning die Gij zelf hebt gewild hebt, maar dan zal de Heer niet antwoorden. Maar het volk wilde niet naar Samuël luisteren en zei: 'Toch moeten wij een koning hebben.' Dan zijn wij gelijk aan alle andere volken. Onze koning zal rechter over ons zijn en voor ons uittrekken om onze oorlogen te voeren. Samuël hoorde de verlangens van het volk aan en bracht ze over aan de Heer. De Heer zei tot Samuël: ‘Ga in op hun verzoek en stel een koning over hen aan.’
Gelukkig is het volk, dat weet wat blijdschap is omdat het leeft, Heer in het licht van uw gelaat. Van dag tot dag vertrouwt het op uw Naam, vindt het zijn kracht in uw gerechtigheid. Want Gij zijt onze roem en onze sterkte, uw gunst maakt ons een groot en machtig volk. Want van de Heer ontvingen wij ons schild, de Heilige van Israëls gaf ons een koning.
Toen Jezus enige dagen later in Kafarnaüm was teruggekeerd, en men hoorde dat Hij thuis was, stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte voor de deur geen plaats meer bood toen Hij hun zijn leer verkondigde. Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd. Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed, waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: 'Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven.' Er zaten enkele schriftgeleerden bij en dezen zeiden bij zichzelf: 'Wat zegt die man daar? Hij spreekt godslasterlijk! Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen? Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden, en Hij zei hun: 'Wat redeneert gij toch bij uzelf? Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed op en loop? Welnu, opdat ge zult weten, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, sprak Hij tot de lamme: Ik zeg u, sta op, neem uw bed mee en ga naar huis.' Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: 'Zoiets hebben wij nog nooit gezien.'
"Vriend, je zonden zijn je vergeven." Door die woorden wilde Christus gekend worden als God toen Hij zich nog voor de menselijke ogen verborg als een mens. Door het tonen van zijn macht en de wonderen vergeleek men Hem met de profeten; en toch was het dankzij Hem en dankzij zijn macht dat ook zij wonderen konden verrichten. Het toekennen van vergeving voor de zonden ligt niet in de macht van een mens; dat kenmerk is eigen aan God. Zo begon Jezus zijn goddelijkheid te ontsluieren in het hart van de mensen – en dat maakt de farizeeërs gek van woede. Ze antwoordden: "Hij belastert God! Alleen God kan zonden vergeven?" Farizeeër, je denkt het te weten, maar je bent zo onwetend! Je denkt je God te dienen en je herkent Hem niet! Je denkt getuigenis af te leggen, en je brengt slaag! Als het God is die zonden vergeeft, waarom geef je dan de goddelijkheid van Christus niet toe? Aangezien Hij de vergeving van een enkele zonde kan toekennen, dan is Hij het ook die de zonden van de hele wereld wegneemt; "Zie het Lam van God, die wegneemt de zonden van de wereld" (Joh 1,29). Opdat je zijn goddelijkheid kunt begrijpen, luister naar Hem, want Hij is doorgedrongen tot de diepste diepte van je wezen. Kijk naar Hem: Hij is gekomen tot het diepste van je gedachten. Begrijp Hem die de geheime bedoelingen van je hart bloot legt.
In die dagen trokken de Israëlieten ten strijde tegen de Filistijnen. Ze sloegen hun kamp op bij Eben-Haëzer; de Filistijnen lagen in Afek. Nadat de Filistijnen zich in slagorde tegenover de Israëlieten hadden opgesteld, brandde de strijd los. Israël werd door de Filistijnen verslagen: vierduizend man sneuvelden in de slag. Toen het leger naar het kamp was teruggekeerd, vroegen de oudsten van Israël: ‘Hoe komt het dat de Heer ons vandaag tegen de Filistijnen een nederlaag heeft laten lijden? De ark van het verbond met de Heer moet uit Silo hierheen worden gehaald. Dan zal de Heer in ons midden zijn en ons bevrijden uit de greep van onze vijanden.’ Het leger liet de ark van het verbond uit Silo overbrengen, de ark van de Heer van de hemelse machten, die op de cherubs troont. Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, kwamen met de ark mee. Toen de ark van het verbond met de Heer in het legerkamp aankwam, barstten alle Israëlieten uit in luid gejuich, zodat de aarde ervan dreunde. De Filistijnen hoorden het lawaai en vroegen: ‘Wat klinkt daar voor gejuich uit het kamp van de Hebreeën?’ Toen ze vernamen dat de ark van de Heer in het legerkamp was aangekomen, werden ze bang en zeiden: ‘Hun God is naar het legerkamp gekomen. Het ziet er slecht voor ons uit, want zoiets is nooit eerder gebeurd. Het ziet er slecht voor ons uit! Wie redt ons uit de greep van die machtige God? Het is dezelfde God die in de woestijn de Egyptenaren met allerlei plagen heeft getroffen. ’ Verlies de moed niet, Filistijnen, laat zien wat je kunt! Anders worden wij slaven van de Hebreeën zoals zij het van ons zijn geweest. Laat dus zien wat je kunt. Ten aanval! De Filistijnen gingen tot de aanval over en de Israëlieten werden verslagen. Ieder vluchtte naar zijn eigen woonplaats. Het was een zware nederlaag voor Israël, waarbij dertigduizend man voetvolk omkwamen. De ark van God werd buitgemaakt en Chofni en Pinechas, de beide zonen van Eli, vonden de dood.