Na de dood van Stefanus brak een hevige vervolging los tegen de Kerk in Jeruzalem. Allen verspreidden zich over het platteland van Judea en Samaria, uitgezonderd de apostelen. Vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een grote rouwklacht over hem. Saulus echter woedde tegen de Kerk, waarbij hij het ene huis na het andere binnendrong, mannen en vrouwen wegsleepte en overleverde om gevangen gezet te worden. Zij nu, die zich verspreid hadden, trokken rond en verkondig den het woord van de Blijde Boodschap. Zo kwam Filippus in de stad van Samaria en predikte daar de Messias. Filippus' woorden oogstten algemene instemming toen de mensen hoorden wat hij zei en de tekenen zagen die hij verrichtte. Uit vele bezetenen gingen de onreine geesten onder luid geschreeuw weg en vele lammen en kreupelen werden genezen. Daarover ontstond grote vreugde in die stad.
Jubelt voor God, alle landen der aarde, bezingt de heerlijkheid van zijn Naam. Brengt Hem uw hulde en zegt tot uw God: verbijsterend zijn al uw daden. Heel de aarde moet U aanbidden, bezingen uw heilige Naam. Komt en aanschouwt wat God heeft verricht, ontstellende daden onder de mensen. Hij maakte de zee tot een droge vallei, zij gingen te voet door de bedding. Laten wij juichen van vreugde om Hem, die eeuwig regeert door zijn macht.
In die tijd zei Jezus tot de menigte: 'Ik ben het brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst krijgen. Maar Ik zei u reeds, dat, hoewel gij Mij hebt gezien, gij toch niet gelooft. Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen, en wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenwerpen. Ik ben immers uit de hemel neerdgedaald, niet om mijn eigen wil te doen, maar de wil van Hem die Mij gezonden heeft; en dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat Ik niets van wat Hij Mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag. Dit is de wil van mijn Vader, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven bezit; en ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.'
Elke redelijke ziel vindt haar oorsprong in de ware God: zij moet kiezen wat haar past en verwerpen wat haar niet bevalt, want diep in zichzelf kent zij het goede en het kwade. God, die één is, heeft in de kracht van zijn hart een bepaald en uniek werk bedacht, en dit werk heeft Hij op wonderbare wijze vermenigvuldigd. Want God is een levend vuur, een vuur waardoor de zielen ademen, een vuur dat bestond vóór het begin, dat oorsprong is en tijd der tijden. De wil van God doordringt geheel de vergankelijke wereld en ademt daarin het einde van de wereld in, dat de eeuwigheid is. De almacht van God bezit de volheid van een evenwichtige matigheid; zij heeft geen begin en geen einde en heeft alle ruimte om te volbrengen wat zij wil, zonder enige uitzondering. Aan de volmaaktheid waardoor Gods macht alles onderwerpt, is de liefde verbonden, als een soort rust in het handelen: want de liefde volbrengt volmaakt de wil van God — bron van vrede. De liefde draagt echter verschillende gewaden, even talrijk als de deugden die in de mens werkzaam zijn: de liefde is de bron van alle goed. De mens moet alle bedoelingen van zijn hart richten op deze ware zon. In deze liefhebbende blik openbaart zich Gods voorkennis: liefde en voorkennis stemmen met elkaar overeen. (…) De mens die ervoor kiest zich aan de liefde te onderwerpen, bemint wat in God is; hij aanschouwt God in de zuiverheid van zijn geloof; hij biedt Hem niets sterfelijks aan, maar neemt reeds nu zijn plaats in in de hemelse vreugde, en God heeft van eeuwigheid voorzien dat hij tot Hem zou komen.
In die dagen sprak Stefanus tot het volk, tot de oudsten en de schriftgeleerden: Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor, nog altijd weerstreeft gij de heilige Geest, juist zoals uw vaderen deden. Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben ze hen die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, wiens verraders en moordenaars gij nu geworden zijt, gij nog wel die de Wet hebt ontvangen door bemiddeling van de engelen; maar ge hebt ze niet onderhouden!' Toen ze dit hoorden, werden ze woedend en knarsetandden tegen hem. Maar hij, vervuld van de heilige Geest, staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: 'Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.' Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als een man op hem af. Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem. De getuigen legden hun mantels neer aan de voeten van een jongeman die Saulus heette. Terwijl zij Stefanus stenigden, bad hij: 'Heer Jezus, ontvang mijn geest.' Toen viel hij op zijn knieën en riep met luider stem: 'Heer, reken hun deze zonde niet aan.' Na deze woorden ontsliep hij. Saulus stemde in met de moord op deze man.