Lezingen van de dag

DAGELIJKS EVANGELIE Ontvang iedere morgen de dagelijkse lezingen via email ! Katholieke, meertalige, gratis service.

  • Maandag 23 Februari : Lezing uit het boek Leviticus 19,1-2.11-18.
    on 23 februari 2026 at 19:49

    De Heer sprak tot Mozes: “Zeg tot heel de gemeenschap van de Israëlieten: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig. Gij moogt elkaar niet bestelen, niet beliegen en niet bedriegen. Ge moogt mijn Naam niet gebruiken voor meineed, want dan ontwijdt ge de Naam van uw God. Ik ben de Heer. Gij moogt uw naaste niet uitbuiten en hem in niets te kort doen. Wat een dagloner verdient moogt ge niet vasthouden tot de volgende morgen. Gij moogt een dove niet vervloeken en een blinde niets in de weg leggen, waarover hij struikelen kan. Ge moet ontzag hebben voor uw God. Ik ben de Heer. Wees niet partijdig bij het rechtspreken: begunstig de arme niet en zie de rijke niet naar de ogen. Spreek rechtvaardig recht over uw volksgenoten. Strooi geen lasterpraat rond over elkaar en sta uw naaste niet naar het leven. Ik ben de Heer. Wees niet haatdragend tegen uw broeder. Wijs elkaar terecht: dan maakt ge u niet schuldig aan de zonde van een ander. Neem geen wraak op een volksgenoot en koester geen wrok tegen hem. Bemin uw naaste als uzelf. Ik ben de Heer.”

  • Maandag 23 Februari : Psalmen 19(18),8.9.10.15.
    on 23 februari 2026 at 19:49

    De wet van de Heer is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de Heer is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de Heer zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de Heer is helder: licht voor de ogen. Het ontzag voor de Heer is zuiver, houdt stand, voor altijd. De voorschriften van de Heer zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al. Laat al mijn spreken en denken voor U aanvaardbaar zijn, Heer, voor U, mijn rots en verlosser.

  • Maandag 23 Februari : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 25,31-46.
    on 23 februari 2026 at 19:49

    In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Wan­neer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeenge­bracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken. De schapen zal Hij plaatsen aan zijn rechterhand, maar de bokken aan zijn linker. Dan zal de Koning tot die aan zijn rechter­hand zeggen: Komt, gezegenden van mijn Vader, en ont­vangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld. Want Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en gij hebt Mij opgenomen, Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoor­den en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en U te eten gegeven, of dorstig en U te drinken gegeven? En wanneer zagen wij U als vreem­deling en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? En wanneer zagen we U ziek of in de gevangenis en zijn U komen bezoeken? De Koning zal hun ten antwoord geven: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. En tot die aan zijn linker­hand zal Hij dan zeggen: Gaat weg van Mij, vervloek­ten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten. Want Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet opgenomen, naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevange­nis en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Dan zullen ook zij antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig als vreemdeling of naakt of ziek of in de gevange­nis, en hebben wij niet voor U gezorgd? Daarop zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaar­digen naar het eeuwige leven.'

  • Maandag 23 Februari : H. Cyrillus van Jeruzalem
    on 23 februari 2026 at 19:49

    “De Vader oordeelt helemaal niemand, maar Hij heeft het gehele oordeel aan de Zoon toevertrouwd” (Joh. 5,22); niet omdat Hij zichzelf van zijn macht zou ontdoen, maar omdat Hij oordeelt door de Zoon. De Zoon oordeelt dus volgens de aanwijzing van de Vader. Want de aanwijzing van de Vader is niet van een andere soort dan die van de Zoon, maar één en dezelfde aanwijzing. Wat zegt de Rechter dan over jouw verantwoordelijkheid of jouw onverantwoordelijkheid met betrekking tot je daden? “En zij zullen alle volken voor Hem bijeenbrengen,” want “voor Christus moeten allen de knie buigen, die in de hemel zijn, op de aarde en onder de aarde.” “En Hij zal hen van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt” (vgl. Mt. 25,32; Rom. 14,10; Fil. 2,10). Hoe scheidt de herder? Gaat hij in een boek opzoeken welk dier een schaap is en welk een bok? Of oordeelt hij naar wat hij ziet? Wijst de wol niet het schaap aan en een ruwe, droge vacht de bok? Zo ook: als jij vooraf van je fouten bent gezuiverd, verschijnen je werken uiterlijk als zuivere wol; het kleed van onschuld wacht je, en je zult altijd zeggen: “Ik heb mijn gewaad uitgetrokken, hoe zou ik het weer aantrekken?” (Hoogl. 5,3). Je vacht doet je herkennen als een schaap. Maar als je behaard wordt aangetroffen, naar het beeld van Esau, die dicht behaard was en lichtzinnig van geest, die voor een enkel gerecht zijn eerstgeboorterecht heeft opgeofferd en zijn voorrecht heeft verkocht, dan zul je aan de linkerzijde worden geplaatst. Moge God geven dat niemand van hen die hier zijn de genade verliest en, vanwege zijn slechte daden, wordt aangetroffen aan de linkerzijde, in de rijen van de zondaars.

  • Zondag 22 Februari : Uit het boek Genesis 2,7-9.3,1-7.
    on 23 februari 2026 at 19:49

    In het begin boetseerde God, de Heer, de mens uit stof, van de aarde genomen, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen. God, de Heer, legde in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste Hij de mens die Hij had gemaakt. Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad. Van alle dieren, die God, de Heer, gemaakt had, was er geen zo sluw als de slang. Ze zei tot de vrouw: “Heeft God werkelijk gezegd dat ge van geen enkele boom in de tuin moogt eten?” De vrouw zei tot de slang: “Wij mogen wel eten van de vruchten van de bomen in de tuin. God heeft alleen gezegd: van de vruchten van de boom, die midden in de tuin staat moogt ge niet eten; ge moogt ze zelfs niet aanraken; anders zult ge sterven.” Maar de slang zei tot de vrouw: “Gij zult helemaal niet sterven. God weet dat uw ogen open zullen gaan als ge eet van die boom, en dat ge dan gelijk zult worden aan God door de kennis van goed en kwaad.” Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom, en dat hij een lust was voor het oog, en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan. Nu gingen hun beiden de ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren. Daarom hechtten ze vijgenbladen aaneen en maakten daar lendenschorten van.