Lezingen van de dag

DAGELIJKS EVANGELIE Ontvang iedere morgen de dagelijkse lezingen via email ! Katholieke, meertalige, gratis service.

  • Donderdag 22 Januari : Uit het 1e boek Samuël 18,6-9.19,1-7.
    on 22 januari 2026 at 12:46

    Toen David in die dagen terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, trokken alle vrouwen uit alle steden van Israël koning Saul zingend en dansend tegemoet, met tamboerijnen, vreugdeliederen en triangels. De dansende vrouwen hieven een beurtzang aan en zongen: ‘Bij duizenden sloeg Saul ze neer, maar David bij tienduizenden!’ Saul was zeer ontstemd en ergerde zich hevig aan die woorden; hij zei: Aan David geven zij tienduizenden, aan mij duizenden; alleen het koningschap ontbreekt hem nog maar!’ Vanaf dat ogenblik bekeek Saul David met afgunst. Hij deelde aan zijn zoon Jonatan en al zijn hovelingen mee dat hij David wilde doden. Daarop liet Jonatan weten aan David die hij bijzonder genegen was: Mijn vader Saul wil je doden. Wees morgen vroeg op uw hoede; zoek een schuilplaats en houd u verborgen. Ik ga dan de stad uit en kom met mijn vader in jouw nabijheid staan. Dan spreek ik met mijn vader over u en wat ik te horen krijg laat ik u weten.’ Jonatan pleitte dus voor David bij zijn vader Saul en zei tot hem: ‘Laat de koning zich niet vergrijpen aan zijn dienaar David. Hij heeft niets tegen u misdaan. Integendeel, wat hij gedaan heeft is u zeer voordelig geweest. Hij heeft zijn leven op het spel gezet; hij heeft de Filistijnen verslagen en de Heer heeft Israël een grote overwinning geschonken. Gij hebt het gezien en u hebt u erover verheugd. Waarom zoudt u zich dan vergrijpen aan onschuldig bloed en David zonder enige reden doden?’ Saul luisterde naar Jonatan en zwoer: ‘Zowaar de Heer leeft, David wordt niet gedood!’ Toen riep Jonatan David en vertelde hem alles wat er gezegd was. Hij bracht David bij Saul en David diende hem weer zoals voorheen.

  • Donderdag 22 Januari : Psalmen 56(55),2-3.9ab-10.11.12-14.
    on 22 januari 2026 at 12:46

    Wees genadig, God, nu mensen mij vertrappen, Steeds bestoken en benadelen zij mij. Mijn bestrijders kwellen mij voortdurend, vallen op mij aan met man en macht. Heel mijn zwerversleven kent Gij, Al mijn tranen hebt Gij opgevangen in uw kruik. Mijn vijand wijkt als ik U aanroep, ja, ik weet het, God verlaat mij niet. Op de Heer en zijn belofte, op de Heer vertrouw ik, zonder vrees. Wat kunnen de mensen mij doen? Wat ik belooft heb, God zal ik volbrengen U breng ik het offer van mijn lof. Want door U ben ik de dood ontkomen, Gij behoed mijn voeten voor de val, Daardoor kan ik voortgaan voor Gods aanschijn in het licht dat alle levenden verlicht.

  • Donderdag 22 Januari : Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 3,7-12.
    on 22 januari 2026 at 12:46

    In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg in de richting van het meer, maar een grote volksme­nigte uit Galilea ging Hem achterna; er kwamen ook vele mensen uit Judea, Jeruzalem, Iduma, het Overjor­daanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem, omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed. Hij droeg zijn leerlingen op te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was, als voorzorg tegen het opdringen van de menigte. Want Hij had er velen genezen, met het gevolg dat allen die aan kwalen leden, op Hem aandrongen om Hem aan te raken. Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen, voor Hem neer en schreeuwden: 'Gij zijt de Zoon van God.' Maar Hij verbood hun nadrukkelijk Hem bekend te maken.

  • Donderdag 22 Januari : H. Efraïm
    on 22 januari 2026 at 12:46

    O barmhartigheden, gezonden en verspreid over alle mensen! In U verblijven ze, Heer, U die uit medelijden met alle mensen, hun tegemoet bent gegaan. Door uw dood hebt U de schatten van uw barmhartigheden geopend. (...) Uw diepe wezen is immers verborgen voor het zicht van de mensen, maar wordt geschetst in zijn minste bewegingen. Uw werken leveren ons de schets van hun Maker, en de schepselen wijzen ons naar hun Schepper (Wijsh 13,1; Rm 1,20), opdat wij kunnen raken aan Degene die zich ontkleedt voor de intellectuele zoektocht, maar die zich in de gaven laat zien. Het is moeilijk om van gelaat tot Gelaat bij Hem te komen, maar het is gemakkelijk om Hem te benaderen. Onze genadevolle handelingen zijn onvoldoende, maar wij aanbidden U in alle dingen om uw liefde voor alle mensen. U onderscheidt ieder van ons door de diepte van ons onzichtbaar wezen, wij zijn allen fundamenteel verbonden door de unieke natuur van Adam. (...) Wij aanbidden U, U hebt ieder van ons in deze wereld gezet, U, die ons alles heeft toevertrouwd dat zich daarin bevindt. en U, die ons eruit zal trekken op het uur dat wij niet kennen. Wij aanbidden U, U hebt het woord in onze monden gelegd, opdat wij U onze vragen zouden kunnen stellen. Adam bejubelt U, hij rust in de vrede, en wij, zijn nakomelingen, met hem, want wij zijn allen begunstigden van uw genade. De winden loven U (...), de aarde looft U (...), de zeeën loven U, de bomen loven U (...), ook de planten en de bloemen zegenen U. (...) Dat alle dingen zich verzamelen en hun stem verenigen om U te loven, en rivaliseren in de dankzegging voor al uw goedheid en zich verenigen in de vrede om U te zegenen; dat alle dingen zich gezamenlijk in een lofzang voor U verheffen. Dat we opnieuw met heel onze wil reiken naar U en dat U weer een beetje van uw overvloed over ons giet, opdat de waarheid ons bekeert en dat zo onze zwakheid verdwijnt, die, zonder uw genade, niet tot U kan komen, U Meester van de gaven.

  • Woensdag 21 Januari : Uit het 1e boek Samuël 17,32-33.37.40-51.
    on 22 januari 2026 at 12:46

    In die dagen werd David bij Saul gebracht, en hij zei: ‘Laat niemand de moed verliezen vanwege die Filistijn; uw dienaar zal met hem vechten.’ Saul zei tot David: ‘U kunt toch niet met die Filistijn gaan vechten! U bent nog maar een knaap en hij is een vechtersbaas, vanaf zijn jonge jaren.’ Maar David zei: 'De Heer, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, Hij zal mij ook redden uit de handen van die Filistijn.’ Daarop zei Saul tot David: ‘Ga dan, en moge de Heer met u zijn.’ David nam zijn stok in de hand, zocht in de beek vijf gladde stenen uit, deed ze in zijn herderstas, de tas van de slingerstenen, en ging met zijn slinger in de hand op de Filistijn af. Daar kwam de Filistijn aan, voorafgegaan door zijn schildknaap; steeds dichter naderde hij David. Maar toen hij David in het oog hd gekregen en hem goed had bekeken begon hij hem te honen, omdat David nog maar een jongen was, rossig en prettig van voorkomen. Hij riep David toe: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?’ En hij begon David bij zijn goden te vervloeken. Kom maar eens hier, riep hij hem toe, dan zal ik uw vlees te vreten geven aan de vogels in de lucht en aan de dieren op het veld. Maar David zij tot de Filistijn: Gij komt op mij af met zwaard en werpspies, maar ik kom op u af met de Naam van de Heer van de legermachten, die gij vandaag hebt getart. Vandaag zal de Heer u aan mij overleveren; ik zal u neervellen, uw hoofd van uw romp scheiden en vandaag nog de lijken van de Filistijnen te vreten geven aan de vogels in de lucht en de dieren op het veld. Heel de aarde zal weten dat Israël een God heeft. Heel deze menigte zal weten dat de Heer geen redding brengt door zwaard of lans. Want de Heer beslist over de strijd en Hij zal u aan ons overleveren. Toen de Filistijn op de aanval overging, rende David op de gelederen af, de Filistijn tegemoet. Hij deed een greep in zijn tas nam er een steen uit, slingerde die naar de Filistijn en trof hem tegen het voorhoofd. De steen drong in het hoofd en de Filistijn viel voorover op de grond. Zo was David met zijn slinger en steen sterker dan de Filistijn; hij trof hem dodelijk zonder zwaard te gebruiken. Nu rende David op de Filistijn toe; hij ging bij hem staan trok het zwaard van de Filistijn uit de schede, hieuw hem het hoofd van de romp en doodde hem. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.