Gij eilanden, hoor mij aan, verre volken, luister aandachtig. Al in de schoot van mijn moeder heeft de Heer mij geroepen, nog voor ze mij baarde noemde hij mijn naam. Mijn tong maakte Hij scherp als een zwaard, Hij hield me verborgen in de schaduw van zijn hand; Hij maakte me tot een puntige pijl, Hij stak me weg in zijn pijlkoker. Hij heeft me gezegd: ‘Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister.’ Maar ik zei: ‘Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt, het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Maar de Heer zal me recht doen, mijn God zal me belonen.' Toen sprak de Heer, die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar hem terug te brengen, om Israël rond hem te verzamelen – dat ik aanzien zou genieten bij de Heer en dat mijn God mijn sterkte zou zijn. Hij zei: ‘Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt.’
Tot U, Heer, neem ik mijn toevlucht, Stel mij toch nimmer teleur. Gij zijt rechtvaardig, red en bevrijd mij luister en kom mij te hulp. Wees mij een vluchtoord, een veilige plaats mijn rots en mijn burcht zij Gij altijd geweest. Bevrijd mij God, uit de handen der zondaars. Want U, mijn God, U bent mijn verwachting, mijn hoop bent U Heer sinds mijn vroegste jeugd. Vanaf de moederschoot steun ik op U, U waart mijn beschermer sinds mijn geboorte. Ik zal uw rechtigvaardigheid prijzen uw bijstand de hele dag. Van jongsaf heb ik het ondervonden, en nu nog prijs ik uw daden.
In die tijd toen Jezus met de leerlingen aan tafel aanlag werd Hij ontroerd en verklaarde: 'Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal mij overleveren.' De leerlingen keken elkaar aan, in het onzekere wie Hij bedoelde. Een van de leerlingen, degene die door Jezus bemind werd, lag dicht tegen Jezus aan. Simon Petrus gaf hem een teken en vroeg hem: 'Wie bedoelt Hij?' Toen leunde deze tegen Jezus' borst en zei tot Hem: 'Heer, wie is het?' Jezus antwoordde: 'Hij is het aan wie Ik het stuk brood zal geven dat Ik ga indopen.' Na het stuk brood te hebben ingedoopt, reikte Hij het toe aan Judas Iskariot. En toen hij dit had aangenomen, voer de satan in hem. Jezus zei hem: 'Wat gij te doen hebt, doe dat spoedig.' Maar niemand van de aanliggenden begreep waarom Hij dit tot hem zei. Omdat Judas de beurs hield, meenden sommigen dat Jezus hem opdroeg: 'Koop wat wij voor het feest nodig hebben ', of dat hij iets aan de armen moest geven. Toen hij het stuk brood had aangenomen, ging hij terstond weg. Het was nacht. Na diens vertrek zeide Jezus: 'Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is verheerlijkt in Hem. Als God in Hem verheerlijkt is, zal God ook Hem in zichzelf verheerlijken, ja, Hij zal Hem spoedig verheerlijken. Kindertjes, nog maar kort zal Ik bij u zijn. Gij zult Mij zoeken, en zoals Ik tot de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, zo zeg Ik het thans tot u. Simon Petrus zei Hem: 'Heer, waar gaat Gij naar toe?' Jezus gaf hem ten antwoord: 'Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen, later wel.' Petrus vroeg Hem: 'Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen? Mijn leven zal ik voor U geven.' Jezus antwoordde: Uw leven zult gij voor Mij geven? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Nog eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochend hebben.'
Petrus, een van de apostelen, deed groot onrecht aan zijn Meester, want hij verloochende Hem en zwoer dat hij Hem niet kende, en of dat nog niet genoeg was, sprak hij kwaad over Hem en lasterde God, door te protesteren en te zeggen dat hij niet wist wie Hij was (Mt 26,69v). Dit grote onheil doorstak het hart van onze Heer. Hé, arme Petrus, wat doe je en wat zeg je? Weet je niet wie Hij is, ken je Hem niet, je bent door zijn eigen mond tot het apostolaat geroepen, je hebt zelf een getuigenis afgelegd dat Hij de Zoon van levende God was? (Mt 16,16). Ach wat een ellendige man ben je, hoe durf je te zeggen dat je Hem niet kent? was Hij het niet die je zojuist de voeten heeft gewassen? (Joh 13,6), die je zijn Lichaam en Bloed te eten heeft gegeven? Dat niemand zijn goede werken aanneemt en denkt niets meer te vrezen te hebben, aangezien Petrus, die zoveel genade had ontvangen, die beloofd had onze Heer naar de gevangenis te begeleiden en zelfs tot in de dood, Hem niettemin al bij de minste fluistering van een kamermeisje, verloochende. Petrus hoorde de haan kraaien en herinnerde zich wat hij had gedaan en wat zijn goede Meester hem had gezegd; en dan als hij zijn fout inziet, vertrekt hij en huilt hij zo bitter dat hij daarvoor de gehele vrijspraak ontvangt en vergiffenis van zijn zonden. O, gelukkige Petrus, die door een dergelijk berouw over zijn zonden, het algehele vergiffenis voor zo'n grote ontrouw hebt ontvangen... Ik weet wel dat het de heilige blik van de Heer was die bij hem tot in het hart doordrong en hem de ogen openden om hem zijn zonden te doen inzien... Sinds die tijd hield hij niet meer op met huilen, vooral wanneer hij 's morgens en 's nachts de haan hoorde kraaien... Daardoor werd hij van groot zondaar een grote heilige.
Zo spreekt de Heer: Dit is mijn Dienaar, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik behagen schep: mijn geest stort Ik over Hem uit, gerechtigheid laat hij stralen over de volken. Hij roept niet, hij schreeuwt niet en op straat verheft hij zijn stem niet. Het geknakte riet zal hij niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven, in waarheid zal hij de gerechtigheid laten stralen. Onvermoeid en ongebroken zal hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren de verre kusten zien uit naar zijn leer.” Zo spreekt God de Heer, Hij, die het uitspansel schiep en het spande, die de aarde en haar gewassen uitspreidde, die de mensen daarop adem gaf en een geest aan allen die er zich bewegen: “Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid, Ik neem u bij de hand en waak over u en maak u voor de mensen tot het teken van mijn verbond en tot een licht voor de volken. Blinden zult gij de ogen openen, gevangenen uit hun kerker bevrijden en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten.”